slide-047-1600x400

Astma en allergie hebben veel met elkaar te maken en gaan regelmatig hand in hand. Veel kinderen die astma hebben, zijn ook allergisch voor bepaalde allergenen. Allergenen zijn op zich onschuldige stoffen waar het immuunsysteem (afweersysteem) van mensen die daar gevoelig voor zijn op reageren alsof ze wel schadelijk zijn. Door contact met deze allergenen kunnen allergische reacties optreden. In principe kan bijna elke stof een allergeen zijn. Allergenen zoals bijvoorbeeld boompollen, graspollen, huisstofmijt en huisdieren geven regelmatig allergische klachten.

Allergenen kunnen klachten veroorzaken zoals benauwdheid, piepende ademhaling en hoesten. Daarnaast is het zo dat de allergie de ontsteking van de luchtwegen laat ontstaan en zo kan bijdragen aan het ontstaan van (allergisch) astma. De allergie zorgt er bovendien voor dat de ontsteking blijft bestaan zolang er contact is met de prikkel waar uw kind allergisch voor is. Daardoor is allergie een belangrijke oorzaak van de blijvende overgevoeligheid van de longen en wordt de term ‘allergisch astma’ gebruikt.

Het is niet zo dat ieder kind met astma ook allergisch is. Er bestaan namelijk ook andere vormen van astma zoals niet-allergisch astma, inspanningsastma en ernstig astma. Ook zijn er veel kinderen die wel allergisch zijn maar geen astma hebben. Astma en allergie zijn dus verbonden, maar zijn niet hetzelfde.

De behandelend arts kan ervoor kiezen om een bloedtest bij uw kind uit te laten voeren wanneer uw kind klachten heeft die wijzen op allergische astma. Er bestaan verschillende bloedtesten die de arts kan aanvragen, dit kan per patiënt verschillen. De bloedtesten meten de hoeveelheid antistoffen tegen bepaalde allergenen in het bloed van uw kind, zoals bijvoorbeeld huisstofmijt of pollen. Een bloedtest op zich geeft geen uitsluitsel over de aanwezigheid van allergisch astma. De anamnese samen met de resultaten van het bloedonderzoek en eventueel aanvullend onderzoek, zoals een longfunctieonderzoek zijn nodig om de definitieve diagnose te stellen.

Voor de bloedafname

De bloedafname vindt plaats op de polikliniek van het Beatrix Kinderziekenhuis. Het is zo georganiseerd, dat u in principe niet hoeft te wachten. U bent normaal gesproken direct aan de beurt; alleen op piekmomenten moet u soms even wachten. Sommige patiënten hebben voorrang, in verband met hun onderzoek of behandeling. Het kan dus zijn dat iemand anders voor u opgeroepen wordt.

Tijdens de bloedafname

Uw zoon of dochter zal waarschijnlijk minder angstig zijn als u vertelt wat er gaat gebeuren. Bij heel veel kinderen wordt bloed geprikt en eigenlijk vindt niemand dat fijn. In het Beatrix Kinderziekenhuis zijn speciale ‘prikdokters’ die heel goed kunnen prikken, waardoor het (soms) wat minder vervelend is voor uw kind.  Uiteraard kunt u bij uw kind blijven tijdens de bloedafname.

Wat gebeurt er tijdenfc0261-smalls het bloedprikken?

  • Eerst worden alle spullen die nodig zijn bij elkaar gelegd. Dit zijn watjes, een ontsmettingsmiddel, een drukband, een spuit en naald en wat buisjes.
  • De ‘prikdokter’ zoekt eerst een plekje (een ader) om te gaan prikken, dit is bijna altijd aan de binnenkant van de elleboog.
  • Als de ader is gevonden krijgt uw kind een drukband om zijn/haar arm. Deze band wordt strak getrokken waardoor de ader nog beter te zien is.
  • De prikplek wordt eerst goed schoongemaakt (ontsmet) met een watje en ontsmettingsmiddel. Dit voelt koud aan op de huid.
  • De ‘prikdokter’  telt tot drie en dan komt de prik. De drukband wordt weer losser gemaakt. Het bloed loopt vanuit de arm in het buisje.
  • Als het buisje vol is gaat de naald eruit. Uw kind krijgt dan een mooie pleister op die plek.
  • Afhankelijk van het onderzoek worden één of meerdere buisjes met bloed gevuld.

Na de bloedafname

De behandelend arts die het onderzoek heeft aangevraagd, informeert u over de uitslag van het onderzoek. Wanneer u de uitslag krijgt, is afhankelijk van het soort bloedonderzoek. Dit kan variëren van ongeveer 2 tot 6 weken.

Naast het bloedonderzoek kan het zijn dat er nog ander aanvullend onderzoek nodig is. Dit kan een huidtest, een  longfunctieonderzoek of een provocatietest zijn. In veel gevallen zal het een combinatie van verschillende onderzoeken zijn die samen voor de uiteindelijke diagnose zorgen.